Thursday, February 6, 2014

DE MENING

IGNAAS DEVISCH IS FILOSOOF EN ETHICUS (UGENT)

Vlaggenorgie

Vlaggenorgie
Albert Speer – Hitlers huisarchitect – liet in zijn dagboeken optekenen dat hij ter ere van de grote leider vlaggenorgieën organiseerde van een speciale soort, en dit ‘door van huis tot huis vlaggen te laten spannen zodat de hemel bijna niet meer te zien was’. Politiek en esthetiek, het levert zelden gezellige coalities op. Laten we vlaggenorgie vooral niet verkiezen tot woord van het jaar, er kleeft teveel as aan dat woord.
Tot vandaag is de verhouding tussen kunst en politiek zeer precair. Politici die in bouwwoede ontsteken om de gemeenschap gestalte te geven? I prefer not to, zoals Bartleby zei. Beter doen we er aan de esthetiek, de kunst, te benaderen zoals Immanuel Kant ze beschrijft, als een vorm van ‘belangeloos welgevallen’. Kunst is belangeloos omdat het geen praktisch, moreel of intellectueel doel dient. Wij zijn het die van kunst iets maken.
Kunst zelf dient tot niet(s), en ja, dat maakt sommige politieke stromingen nerveus: moet we geld besteden aan nutteloze zaken? De meeste relevante dingen in ons leven zijn  vaak (economisch) volkomen nutteloos, maar existentieel zeer belangrijk: de liefde bedrijven, goeie wijn leren degusteren, kijken naar een dauwdruppel op het gras, en waarom ook niet, kunst beleven. Nut en relevantie correleren niet altijd.
In het licht daarvan is de nog naar nieuw ruikende tentoonstelling over het werk van Francisco de Zurbarán in Bozar een prima kans tot belangeloos welgevallen. Zurbarán, de ietwat vergeten Spaanse meester: niemand die op doek een monnikspij meer tot leven bracht. Neem daarbij het spel met de lichtinval en de diagonale compositielijnen die in elk schilderij prachtig uitgestileerd zijn, en je bereikt wat kunst vaak met ons doet: stil worden.
Sprakeloos zijn ze trouwens zelf ook, de personages die Zurbaràns schilderijen bevolken; alsof het gebrek aan licht hen ook de mogelijkheid tot articulatie ontneemt. Of komt het doordat de taferelen vaak baden in een sfeer van dood en vergankelijkheid? Dat zijn ten slotte de momenten waarop ook wij elkaar aanspreken met de – sorry – dooddoener ‘daar zijn geen woorden voor’.
Als het op spreken en zwijgen aankomt, moet ik wel Wittgensteins bekende uitspraak in herinnering brengen: waarover men niet kan spreken, daarover moet men zwijgen. Die uitspraak drukt geen moedige keuze uit maar eerder een noodzakelijkheid: waarvoor we geen woorden vinden, kunnen we niet anders dan te zwijgen, zelfs al willen we praten. Een van mijn leermeesters zei hierover: ‘sprakeloos zijn we zelden, maar bij existentiële vragen stotteren we’. Geef hem eens ongelijk.
Kortom, als het er echt toe doet, zijn we SS’ers; nee hoor, vooral niet in de betekenis van Speers vlaggenorgie, maar wel de SS van Semantische Sukkels.  
 
 

No comments:

Post a Comment